Een absurde droom
“Kijk om je heen ! Dit is ons centrum. Hier zijn wij thuis: mensen die opgesloten zaten, uitgeprocedeerden, daklozen en illegalen. Hier ben je welkom.” Aan het woord is Wiecher, een dakloze Amsterdammer. We praten na over een bijzondere ontmoeting die zojuist heeft plaatsgevonden, die tussen gevangenisdirecteuren en daklozen. Twee groepen die elkaar niet snel ontmoeten, in ieder geval niet op deze manier. Samen hebben ze in workshops nagedacht over thema’s als angst, beslissingen nemen en je daaraan houden, verslaving, uitbreken en acceptatie door je omgeving. Zaken die voor beide groepen belangrijk zijn, maar waarbij het wel uitmaakt tot wélke groep je behoort. De ene groep kan zich opgesloten voelen in het systeem, de andere staat daar juist buiten en doet niet mee. Kan de een iets van de ander leren? Op deze dag was dat het geval; en in ieder geval was er de ontdekking dat je samen kunt nadenken over wezenlijke dingen. “Het voelde als een droom”, vindt Paolo, die al jarenlang dakloos is. “Een absurde droom, maar toch vond ik het jammer om wakker te worden”. En Matthew – afkomstig uit Polen – vult aan: “het was een ‘lift-up’, ons probleem is namelijk dat we allemaal in onze getto’s zitten van vaste groepen en daar nooit uitkomen.”
We praten hier over diaconaat…diaconaat anno 2011.
Nieuwe jasjes
“Als er iets oubollig klinkt, is het wel het woord diaconie”. Daarmee reageerde iemand tijdens een discussie over de toekomst van de kerk en over ‘diaconale presentie’. “Het woord kan maar beter worden geschrapt”, was haar gevoel, mede vanwege alle gevoelens van paternalisme, regentendom en neerbuigende goeddoenerij die eraan kleven. En laten we ook maar het hele instituut opheffen, zouden sommigen er aan toe willen voegen.
Nu is de afschaffing van de diaconie wel vaker aan de orde geweest in de recente geschiedenis. Als moderne samenleving waren we er in de jaren zestig van de vorige eeuw toch bijna overheen gegroeid? Op weg naar een nette welzijnsmaatschappij, waar de zaken voor de armen goed geregeld zouden zijn. Tot lang in de 20ste eeuw had diaconaat het karakter van armenzorg. Langzaam maar zeker, en vaak met tegenwerking van de kerken zelf, werd die kerkelijke armenzorg vervangen door een stelsel van sociale zekerheid, waarvan de Algemene Bijstandswet in 1963 het sluitstuk was. De aandacht van de diaconieën verschoof daarna naar gezinszorg en maatschappelijk werk. Ook hadden de diaconieën een belangrijk aandeel in de groei van het aantal bejaardenhuizen. Diakenen hadden daarin meestal een rol als bestuurder en het eigenlijke werk gebeurde door beroepskrachten. Na 1970 werd de vrijwillige inzet van diakenen weer belangrijker. Diaconaat wordt dan geformuleerd als ‘helpen waar geen helper is’ en ‘helpen onder protest’. Nog steeds zijn dat motto’s die richting geven en duidelijk maken dat het gaat om het signaleren van problemen waarvoor op dit moment geen goede oplossing is. Dankzij het werelddiaconaat is ook wederkerigheid een belangrijke waarde geworden, waardoor diakenen kritisch naar hun eigen werk kunnen kijken. Diaconaat: iedere keer duikt het weer op en telkens in een nieuw jasje. Laten we voorlopig dat woord nog even bewaren.
De nood op het spoor komen
Juist vanwege de steeds veranderende functie van het diaconaat is het lastig om een goede definitie van diaconaat te geven. Herman Noordegraaf geeft in zijn ‘Handboek Diaconiewetenschap’ een algemene en herkenbare omschrijving van diaconaat als ‘het handelen vanuit kerken en andere door het evangelie geïnspireerde groepen en bewegingen dat gericht is op het voorkomen, opheffen, verminderen dan wel mee uithouden van met name sociaal-maatschappelijke nood van individuen en van groepen mensen en op het scheppen van rechtvaardige verhoudingen.” Een hele mond vol. Maar wat betekent het in de praktijk? Hoe kom je de nood op het spoor? Een veel gestelde vraag in kerken.
Diaconaat, is onze ervaring, begint bij contact. En contact begint met het zien van mensen die te kampen hebben met ‘sociaal-maatschappelijke nood’. Die nood is niet een statisch gegeven, maar verandert voortdurend. Zo zien we bijvoorbeeld dat de overheid een effectief beleid voert ten aanzien van dakloosheid. We treffen nog steeds wel daklozen, die buiten slapen, maar velen die inloophuizen bezoeken, kampen met psychiatrische klachten, verslavingsproblemen en vooral met eenzaamheid. Weliswaar onder dak, maar toch thuisloos en misschien juist daardoor niet zo zichtbaar. Voor velen van hen wordt de aansluiting bij de ‘hoofdstroom’ van de samenleving een steeds groter probleem. Voor anderen - mensen zonder papieren bijvoorbeeld - is die aansluiting al helemaal niet aan de orde. Ze bevinden zich in niemandsland; vaak niet in staat terug te keren naar het land van herkomst, zijn ze voortdurend bezig met overleven. We zien al deze mensen die klappen hebben opgelopen. We zien onmacht en schaamte. We zien dat mensen zich aan hun lot voelen overgelaten, overlast veroorzaken, zich overbodig voelen en in het isolement leven.
Toch is dit slechts een kant van het verhaal. Te midden van dit alles zien we ook vitaliteit en onderlinge steun. Krachten die te weinig worden aangeboord. Denk nog maar even aan de ontmoeting van de daklozen met de gevangenisdirecteuren. Trouwens, die ongebruikte reserves vind je niet alleen bij mensen aan de rand van de samenleving. Er zijn veel burgers die iets willen doen. Uitgestoken handen, inzet en de wil om iets te betekenen voor de buurt, voor anderen. Er is, kortom, een groot humanitair tegoed, maar er zijn te weinig verbindingen en contact.
Daarom worden ontmoeten en verbinden steeds belangrijker onderdelen in het diaconale werk, De diaken is de ‘go between’, de makelaar en verwijzer. Diakenen moedigen mensen aan om hun netwerken te versterken en om zich buiten de eigen veilige groep te begeven. Ze bouwen bruggen tussen het (nog steeds) grote, maar ook ingewikkelde aanbod van zorg en hulpverlening en de mensen die daarvan afhankelijk zijn. Ze zoeken naar verbindingen tussen mensen die hulp vragen en die hulp willen bieden. Diakenen ‘investeren’ eigenlijk in vertrouwen – tegen een onbehaaglijke maatschappelijke stemming in, die zich vertaalt in spanningen tussen allochtoon en autochtoon, moslims en niet moslims, eigen en vreemd volk. Dat is waarom we nu diaken willen zijn.
Inzet vanuit de kerk
Het diaconaat als functie van de kerk is allerminst vanzelfsprekend meer. Veel energie gaat tegenwoordig op aan de eigen organisatie en het gemeenteleven en het spreekt in zo’n situatie lang niet vanzelf om diaconaal actief te zijn. Zonder kerk is er immers geen diaconie. Alle hens worden op het kerkelijk dek gevraagd. Toch ‘gebeurt’ diaconie, op onverwachte plaatsen, juist waar we de zorgen over het kerkelijk voortbestaan achter ons kunnen laten. Kerkleden zoeken contact met moskeeën in de buurt en organiseren samen een voedselbank. De busreis en de buurtmaaltijd van de kerk worden georganiseerd door ouderen zelf. Er is iemand die ‘maatje’ wil zijn om mee te gaan naar de maatschappelijke dienstverlening of iemand die helpt met het invullen van de formulieren voor de schuldhulpverlening. Zo ontstaan als vanzelf nieuwe vormen van onderlinge hulp. De nieuwe diaconale activiteiten die we her en der zien opbloeien zijn vaak minder institutioneel en zijn vooral verbonden met de persoonlijke inzet van gewoon iemand of een groep mensen in een wijk. En juist die initiatieven voorzien in een behoefte van de samenleving. We merken dat overheden, organisaties en individuen op zoek zijn naar visie en inspiratie en naar mensen die willen aanpakken. Er liggen kansen te over op het gebied van ‘welzijn nieuwe stijl’ of de WMO, die wachten op een concrete invulling.
De diaconie kan daarin een betrokken en gewaardeerde partner zijn. Niet meer vanwege het instituut, maar omdat diaconaat uitnodigt tot een belangeloze inzet voor anderen. Het uitgangspunt is dan niet een diaconaal aanbod vanuit de kerkelijke kaders; niet meer denken van binnen naar buiten. Sterker er is geen ‘binnen’ en ‘buiten’ meer. Zoals daklozen aan directeuren iets meegeven; zoals ouderen naar elkaar omzien, zoals de vrijwilligers ook clienten kunnen zijn bij het inloophuis. ‘Binnen en buiten’, helper en geholpene verruilen van positie. Het diaconale ‘oerverhaal’ van de barmhartige Samaritaan laat zien hoe dat komt. Je weet pas wie je naaste is, als je je zelf in zijn plaats hebt gezien. Diaconaat begint langs de kant van de weg, waar we het gezicht zien van de persoon die de klappen heeft gekregen, want, ‘toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen’ (Luc. 10;33).
Daarom !
Waarom ook weer? Diaconaat vindt iedere keer opnieuw plaats. Mensen worden geraakt en komen in actie. Misschien is ‘waarom’ wel de verkeerde vraag! Je besluit gewoon iets te doen, omdat je iets doen wilt, zonder dubbele bodem, zonder er zelf beter van te worden of om de boodschap of omdat je bij de kerk hoort of wat dan ook. Voorbij aan het ‘waarom’ gebeurt het diaconaat uiteindelijk als iets onherleidbaars, ‘om niet’ dus. Of, met de woorden van Paul Ricoeur, vanwege de ‘geschonkenheid’ – van ons leven, de schepping, liefde of wijsheid – die aan ons schenken vooraf gaat. Geven, omdat ons gegeven is, helpen omdat we zelf geholpen worden.
Paul van Oosten & Arend Driessen